Ervaring voor de klas
21/05/2008

Opiniestuk in De Standaard van 21 mei 2008

Het is belangrijker ervoor te zorgen dat meer mensen met praktijkervaring naar het onderwijs overstappen, dan te praten over het onderscheid tussen een 'vereist' en 'voldoende geacht' bekwaamheidsbewijs, vinden  Ludo Sannen  en  Anissa Temsamani.

 Het klonk nogal onheilspellend, maandag in De Standaard: 'Deel leraars mist vereist diploma'. Te onheilspellend, naar onze mening. Niet dat we moeten juichen omdat een groeiend deel van de leerkrachten, vooral in de wetenschappelijke vakken, niet het vak geven dat perfect aansluit bij het door hen gehaalde diploma. Maar in de eerste plaats is dit gewoon een nuchtere vaststelling waar het beleid de komende jaren rekening mee moet houden. Wetenschappers kiezen minder voor het onderwijs.

We moeten dit aangrijpen om maatregelen te nemen die de onderwijsarbeidsmarkt dynamischer organiseren en meer te investeren in een goede wisselwerking tussen onderwijs, onderzoek en ondernemingen. Onder meer door de combinatie tussen een onderwijsbaan en een andere baan structureel aan te moedigen. Het onderscheid tussen 'vereist' en 'voldoende geacht' bekwaamheidsbewijs moet tegelijk niet benadrukt, maar juist opgeheven worden.

Het personeelsstatuut of de rechtspositieregeling van onze leerkrachten in het secundair onderwijs is een bijzonder complex web waar nogal wat onderwijsmensen slechts met de vakbondssecretaris aan de hand enigszins hun weg in vinden. Het is een historisch gegroeide opeenstapeling van compromissen en permanent geworden eenmalige maatregelen, die enerzijds een aantal zekerheden biedt voor personeelsleden, maar anderzijds heel wat tegenstrijdigheden en anachronismen bevat.

Maar vooral biedt de geldende rechtspositieregeling weinig ruimte voor een moderne invulling van het personeelsbeleid. Creatieve onderwijswerkgevers klagen dit al lang aan, maar vooral jonge onderwijskrachten denken hier niet anders over.

De stroeve, soms onlogische, toelatings- en verloningsregeling van het onderwijsvak, is een deel van de verklaring voor de geringe dynamiek en aantrekkingskracht die een loopbaan in het onderwijs uitstraalt voor afstuderende en pas beginnende leerkrachten. 

Uit het recent gepubliceerde Arbeidsmarktrapport over het leerplichtonderwijs blijkt niet alleen het actuele tekort aan leerkrachten, maar ook dat vooral in het secundair onderwijs heel wat pas beginnende leerkrachten verrassend snel uit het onderwijs stappen om elders aantrekkelijkere loopbaanperspectieven op te zoeken.

We willen pleiten voor maatregelen die de zogenaamde zij-instroom stimuleren: (deeltijds) overstappen naar het onderwijs moet werknemers uit andere beroepssectoren aanspreken. Door de combinatie van lesgeven en een andere job eenvoudiger te maken, verminderen we bovendien het aantal beginnende lesgevers dat definitief het onderwijs verlaat. 

We geven hier alvast enkele voorbeelden van hoe de huidige regelgeving de wisselwerking tussen onderwijs en andere arbeidsmarktsectoren in de weg staat. Zo is het door de cumulregeling slechts in beperkte mate interessant om een onderwijsbaan te combineren met een andere job. Als je te veel verdient naast je leerkrachtenloon, verdien je (nog) minder als leerkracht, bouw je geen rechten op en/of mag je slechts een beperkt aantal lesuren geven. De cumulregeling die stamt uit de tijd van grote werkloosheid bij leerkrachten en die moest bewerkstelligen dat de onderwijsbanen gelijk verdeeld werden over de kandidaten is inefficiënt in tijden van lerarentekorten. We moeten de cumulregeling in het onderwijs versoepelen. 

Daarnaast moeten we ook nadenken over een uitbreiding van de erkenning van nuttige ervaring bij de aanwerving van mensen die later in hun loopbaan naar het onderwijs overstappen en de berekening van loonanciënniteit. Voor een leerkracht in een praktijkvak als bouw wordt rekening gehouden met zijn diensttijd als werknemer of zelfstandige als deel van zijn bekwaamheidsbewijs, maar ook bij de berekening van zijn loon(-anciënniteit). Maar wie begint als leerkracht kan slechts tien jaar anciënniteit van zijn voorbije loopbaan meenemen. Wat het voor een 45-jarige lasser al een pak minder interessant maakt om over te stappen naar het onderwijs. Waarom bestaat er trouwens geen soortgelijke regeling voor leerkrachten in de algemene vakken, zoals een leerkracht fysica die kan buigen over een jarenlange ervaring als onderzoeker in een bedrijf?

Wanneer we zij-instromers willen aantrekken in het onderwijs is de kans groot dat zij slechts deeltijds in het onderwijs beginnen. Dan stelt zich het probleem dat wie lesgeeft in bijambt, sowieso verloond wordt zonder dat er rekening wordt gehouden met anciënniteit en ervaring. Onze maatregelen hoeven niet eens zo ver te gaan als in Nederland, waar sommige scholen leerkrachten lokken met bedrijfsauto's. 

We zetten ons ook af tegen de negatieve berichtgeving over de kwaliteit van ons onderwijs als gevolg van de daling van vakspecifiek opgeleide leerkrachten. De bewering dat de kwaliteit van ons wetenschappelijk onderwijs daalt, wordt niet gestaafd door de onderwijsinspectie of Pisa-rapport, maar eerder afgeleid uit het vermoeden dat de wetenschappelijke basiskennis bij de bevolking in het algemeen afneemt en het niet-ingeloste verwachtingspatroon van het bedrijfsleven. Want die willen steeds meer specifiek opgeleide werkzoekenden en het is maar de vraag of het de taak is van het leerplichtonderwijs om hiervoor te zorgen.

Uiteraard moet een sterke vakinhoudelijke basis gegarandeerd zijn, maar een specialist is geen garantie voor het boeien van leerlingen of het aanbrengen van een kritisch wetenschappelijke houding, net zo min als het omgekeerde waar is. We missen vooral leerkrachten met pedagogische bekwaamheid én kennis voor de klas, eerder dan wetenschappers met een beroepsspecifieke kennis die veel verder reikt dan wat een leerling kan bevatten.